De ontdekking van de natuur

Hans Mulder

Hoogtepunten uit de natuurlijke historie
Vanaf de vroege zestiende eeuw verschenen er in Europa steeds meer studies waarin dieren en planten ‘naar het leven’ werden beschreven en verbeeld. In de daaropvolgende eeuwen werd het onderzoek naar de natuurlijke wereld verdiept en werd de kunst om die wonderbaarlijke natuur af te beelden geperfectioneerd. 

In De ontdekking van de natuur vindt u twintig prachtige en rijk geïllustreerde verhalen over vogels, insecten, bacteriën, draken en nog veel meer. De beschreven ontdekkingen zijn doorspekt met anekdotes over de bijzondere mannen en vrouwen die er tussen 1500 en 1900 voor hebben gezorgd dat wij het leven om ons heen en dat van onszelf zoveel beter begrijpen. Lees over de draak die in 1572 op een akker bij Bologna werd verslagen, over Van Leeuwenhoek, die met behulp van de door hemzelf gemaakte microscoop bacteriën in zijn eigen tandplak ontdekte. Of over hoe de jonge Charles Darwin tijdens zijn reis met de Beagle inzichten kreeg die de basis legden voor zijn evolutieleer.

Hans Mulder is opgeleid als historicus en werkt als conservator natuurlijke historie van het Allard Pierson, de collecties van de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceert over de geschiedenis van het boek en over hoe in de westerse samenleving de kijk op de natuur in de loop der tijd veranderde. Onderwerpen waarover hij ook doceert aan de UvA. Veel van de belangrijkste natuurhistorische handschriften, gedrukte boeken, tekeningen en aquarellen die Mulder in dit boek heeft gebruikt, zijn te vinden in de Artis Bibliotheek, onderdeel van het Allard Pierson.

Uitgever: Terra

Nu ga ik er eens op uit

De natuurkenner Jac. P. Thijsse (1865‒1945) geldt als een fenomeen. Behalve als voorvechter van de natuurbescherming in Nederland werd hij beroemd dankzij de Verkade-albums, die bedoeld waren het grote publiek de liefde voor de natuur bij te brengen. Dat Thijsse ook een dagboek bijhield, is echter nauwelijks bekend.

Nu ga ik er eens op uit bevat de twee oudste en boeiendste dagboekdelen, die de jaren 1884‒1887 en 1894‒1898 beslaan. Thijsse is dan als jonge onderwijzer werkzaam in Amsterdam en vult zijn vrije tijd met lange wandelingen, nabij en in de stad, de Kennemerduinen, maar ook tussen Amsterdam en het Gooi.

De dagboeken van Thijsse zijn echte natuurdagboeken. Anders dan een ‘gewoon’ dagboek, gaan ze niet over de dagelijkse beslommeringen, maar over allerlei planten en het doen en laten van de dieren die Thijsse observeerde tijdens zijn wandelingen. Zijn observaties vulde hij aan met prachtige schetsen en opmerkingen over het weer en het omringende landschap.

Met Nu ga ik er eens op uit verschijnen de oudste natuurdagboeken van Nederland voor het eerst. Deze uitgave is zeer rijk geïllustreerd met Thijsses eigen tekeningen, en met facsimile’s van schitterend kleurenmateriaal uit later werk, gedetailleerde kaarten van de Kennemerduinen, het Vondelpark en andere geliefde plekken.

De goede voorouder

Lange termijn denken voor een korte termijn wereld
Onder alle grote problemen waar de wereld mee worstelt, ligt één kraakheldere oorzaak: we denken alleen aan de korte termijn. In dit urgente en praktische filosofieboek De goede voorouder breekt bestsellerauteur Roman Krznaric het debat hierover open. Hij beschrijft de geschiedenis van dit kortetermijndenken en schetst hoe we verder kunnen kijken dan onze eigen generatie lang is. Krznaric beschrijft een nieuwe manier.

De grote problemen van onze tijd gaan allemaal terug op één ding: we denken alleen aan de korte termijn. Dat denken koloniseert de toekomst. Je ziet het in het bedrijfsleven, de politiek en het persoonlijk leven. Zo ontstaat steeds meer ongelijkheid tussen bevolkingsgroepen en nemen existentiële dreigingen toe. We staan aan de rand van de afgrond.

Toch is er hoop, volgens Roman Krznaric. Om goede voorouders te worden moeten we onder meer onze economie en politiek radicaal omvormen – een enorme opgave. Maar onder die ambitieuze doelen ligt iets wat we zelf kunnen doen: onze kortzichtigheid inruilen voor langetermijndenken. Krznaric onthult zes praktische manieren om onze hersenen hierin bij te scholen. Dan verschuiven we de loyaliteit van onze eigen generatie naar de hele mensheid, en kunnen we onze planeet en onze toekomst redden. De belangrijkste vraag die we onszelf moeten stellen is: ‘Zijn we een goede voorouder?’.

De originele editie The Good Ancestor: How to Think Long-Term in a Short-Term World vind je terug op de website van de auteur en bevat achtergrondinformatie, indexes en videomateriaal.

Bibliografie
Krznaric, R. (2020) The Good Ancestor: How to Think Long-Term in a Short-Term World. New York: The Experiment. Link

Krznaric, R. (2021) De goede voorouder: Lange termijn denken voor een korte termijn wereld. Utrecht: VBK Media | Uitgeverij Ten Have. Link

De boom en het rizoom

Dit essay De boom en het rizoom handelt over een zoektocht naar het begrip van het eigen systeem van menselijk handelen. Samenleving enerzijds, overheid anderzijds, hun werking en rollen worden bekeken en als het ware ‘afgetast’ in het licht van onderdelen van het natuurlijke ecosysteem. Het gekozen vertrekpunt wordt daarbij gedaan dat de samenleving een rizoom is en de bureaucratie een boom.

Van der Steen et al. (2010, p. 3): “Een toenemend aantal problemen en vraagstukken waarvoor de overheid zich geplaatst ziet – of verantwoordelijk wordt gehouden – heeft het karakter van een ‘netwerkprobleem’: een groot aantal partijen is betrokken, met uiteenlopende waarden, visies en belangen, met een fragmentatie van macht en verantwoordelijkheid, zonder dat er één actor is die eigenstandig tot een oplossende interventie kan komen…

Van het openbaar bestuur, en van bestuurders, wordt verwacht dat zij er in slagen om op complexe dossiers voortgang te boeken en tot succesvolle interventie komen. De vraag is dan hoe, gegeven de complexiteit van de problematiek, overheidsorganisaties toch tot ‘beleidsrealisatie’ kunnen komen…

De zoektocht in dit essay is er vervolgens op gericht om sturingsprincipes te formuleren die wel passen in het contingentieprincipe en om daarbij ook weer te geven hoe dat organisatorisch in structuren en competenties invulling kan krijgen. Dat is temeer relevant, omdat wij tevens betogen dat het merendeel van de werkelijk knellende problematiek zich in dit deel van de samenleving bevindt: de meest urgente en knellende problemen zijn netwerkproblemen. De meest belangrijke en noodzakelijke sturing is netwerksturing.”

Op pagina 10 formuleren de auteurs: “Een rizoom is in letterlijke zin een veelal horizontaal vertakte wortelstructuur, die niet te herleiden is tot één hoofdtak of tot één plant aan de oppervlakte, maar bestaat uit ondergronds voortwoekerende worteltakken waartussen steeds nieuwe verbindingen kunnen ontstaan”, op pagina 11 gevolgd door: “Als we de samenleving voorstellen als een rizoom, begrijpen we hoe lastig het is voor overheden om samenlevingen te sturen of te ontwerpen. Ook begrijpen we dat een samenleving als een rizoom in staat is allerlei spontane verbindingen tot stand te brengen – aan de ene kant mooie innovaties op de arbeidsmarkt, maar aan de andere kant ook minder aangename ontwikkelingen zoals cybercrime of hedendaags terrorisme. Een samenleving is niet ontworpen, is geen organisatie, is niet logisch opgebouwd, is geen orgaan.”

Het essay is in mijn ogen, ik spreek als Wagenings bosecoloog, een vorm van beeldspraak die helpt om de complexiteit van de samenleving te beseffen, maar waarbij van vanuit principieel ecologisch oogpunt, met andere woorden vanuit het perspectief van het natuurlijk ecosysteem zelve de onderbouwing van de aannames van die beeldspraak wordt gemist. Met andere woorden, beschouwd vanuit de fundamentele wetenschap van de bosecologie, wellicht ook vanuit de trotse ‘persona’ van het bos zelve, is de onderbouwing van de gebruikte metaforen boom en rizoom een zaak voor nadere studie.

Interessant, dat moet gezegd, in dit betoog zijn de door de auteurs zelf gedefinieerde en geciteerde metaforen en daarbij gelegde associaties, met name omdat de verbinding met de natuur wordt gezocht als verklaring waarom zaken in de (openbare) besturing van de samenleving lopen zoals zij lopen.

Deze publicatie is één van die schaarse maar memorabele momenten in mijn ogen, waarin de bestuurskunde eindelijk lijkt terug te willen keren op het nest van waaruit zij ooit is uitgevlogen – op zoek naar vragen die zij maar niet beantwoord krijgt in de zoektocht naar de Heilige Graal van goed bestuur -, namelijk dat van de ecologie, van de wereld van Charles Darwin, Alexander von Humboldt, John Muir, Roelof Oldeman en Edward Wilson. De vraag evenwel is óf zij en, indien ja, onder andere welke condities en aannames de bestuurskunde wordt toegelaten. Dat wordt toch spannend, omdat zij op onderdelen vervreemd is geraakt van het ecosystemisch aspect van openbare besturing. Het essay illustreert de eerste tekenen van inzichten en verlangens hiertoe. Dat is mooi.

Dit voortreffelijke en frisse essay ademt impliciet het verlangen uit om terug te willen keren op het nest van haar moederwetenschap, de ecologie, op zoek naar antwoorden. Ik weet niet of de auteurs zich hiervan bewust zijn. Dat geeft ook niet. Het essay opent in elk geval nieuwe deuren voor onderzoek om te begrijpen wie wij zijn en waartoe wij op aarde zijn.

Bibliografie
Steen, M. van der, Peeters, R. en Twist, M. van (2010) Overheidssturing in een Netwerksamenleving. Den Haag: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Publiek Risico: Essays

e-boek Eric Frank en Jack Kruf

Breda, 16 augustus 2020. Dit e-boek Publieke Risico Essays bevat een collectie van 75 essays, geschreven door publieke leiders, managers, adviseurs, experts en wetenschappers. Selectie en curatie door Eric Frank en Jack Kruf. Dank aan alle auteurs, organisaties en uitgevers voor het beschikbaar stellen van deze essays.

Een boek om uw kennis te verrijken en uw inzichten te verdiepen. Het telt 723 pagina’s lezenswaardig materiaal met betrekking tot de publieke besturing van waarden en risico’s.

Het boek bevat een caleidoscopisch overzicht en bestrijkt de periode 1995-2020. Beoogd wordt om de ontwikkeling van het vakgebied ‘publiek risicomanagement’ – als relatief nieuw vakgebied binnen het bredere perspectief van publieke (be)sturing -nader te duiden en de zoektocht naar acceptatie ervan door bestuur en management – als logische bijdrage aan resultaat en succes – in beeld te brengen.

Deze collectie wordt uitgebracht voor bestuurders, managers, adviseurs, wetenschappers, docenten en studenten. Het wordt gebruikt voor onderwijsdoeleinden.

Inleiding
De beginselen van risicomanagement liggen besloten in elk ecosysteem en zijn voor wat de mens betreft zo’n 300.000 jaar oud. Elk mens heeft in zijn hersenen de vroege ontwikkelingsstadia nog opgeslagen. Om te overleven als groep of als individu. Het kwam ons voor dat deze basisprincipes voelbaar zijn in de gedachten verwoord in deze selectie van essays. Veel ervan is wezenlijk.

Nu, anno 2020, kijken wij slechts een stukje terug. Gedurende 15 jaar (periode 2006- 2020) zijn wij afwisselend verantwoordelijk geweest voor de oprichting, besturing en management van de Nederlandse tak van PRIMO, de Public Risk Management Organisation. Een mooi moment om een selectie van essays te presenteren, dat een beeld geeft van het ontstaan, de werking en de ontwikkeling van het vak risicomanagement.

Het is een persoonlijke selectie, waarbij in onze ogen de diverse invalshoeken van het vakgebied het sterkst worden geëtaleerd. Het is een selectie, waarvan wij weten dat wij mensen tekort doen, natuurlijk. Maar de keuze voor een beperkte set van essays en pagina’s dwingt om te kiezen. Het zijn 75 essays en 723 pagina’s. Gebundeld in dit e-boek.

Risicomanagement is als vak zo oud als de weg naar Rome (en eigenlijk veel ouder zoals hierboven reeds geduid), maar het startpunt voor Nederland wordt gelegd in 1995, in de aanloop naar het proces waarbij de rijksoverheid in Nederland de eerste zaadjes plantte. Niet echt voor zichzelf, nee niet echt, maar om een construct te bedenken waarbij zij taken kon decentraliseren naar lagere overheden en vervolgens om toezicht op de uitoefening af te dwingen. Afstoten dus en erop toezien dat het goed gaat. Een bijzondere reden dus, die niet zozeer de publieke zaak vooropstelt maar eerder het mechanisme van controle. Dat is het eerste dat opvalt. 25 jaar risicomanagement.

De selectie van artikelen geeft de duiding van deze aanpak weer, laat ook zien dat vele experts en wetenschappers er veel nieuwe ideeën op hebben ingebracht, maar de rijksoverheid is qua standpunt en aanpak in die 25 jaar eigenlijk niet van gedachten veranderd. Er is eigenlijk de paragraaf weerstandsvermogen als enig echte kader. Daar wordt weliswaar wettelijk aan voldaan, maar veel gemeenten passen het nauwelijks toe als echt sturingsinstrument.

Wat opvalt is ook dat de gemeenten, provincies en waterschappen eigenlijk in het geheel nog niet georganiseerd zijn op dit punt, ook niet na 25 jaar. Iedereen werkt met een eigen aanpak, met eigen raamwerken, modellen, adviseurs en zelfs eigen wetenschappers. Er is nauwelijks sprake van een corporate kader waarmee door gemeenten, provincies en waterschappen wordt gewerkt.

Pas 25 jaar nadat het rijk de beslissing nam om zo te gaan werken, tonen de koepelorganisaties, zij het mondjesmaat – incidenteel, op projectbasis en meestal facilitair – een teken van leven op dit punt. Dat is merkbaar in de selectie. Essays hiervan ontbreken. De essays komen met name van enkele front runners in het publieke domein, wetenschappers of extern adviseurs.

Eigenlijk, concluderen wij, is er na 25 jaar weinig nieuws onder de zon. Veel boeken, artikelen, software, debatten, diversificatie en eigen winkels, maar in de kern draait alles nog steeds om dat ene principe van toezicht. De enige echte beleidslijn in al die jaren is het weerstandsvermogen. Er zijn gelukkig pogingen van experts om corporate risk governance op een hoger planniveau te krijgen. Een zoektocht van het openbaar bestuur zelve kent een zeer matig resultaat. Risicomanagement is niet geland, het is voor veel bestuurders en topmanagers een fremdkörper. Het is geen sturingsinstrument geworden om scherp aan de wind te zeilen, te innoveren, vooruit te zien. Het is een moetje, ja soms zelfs een wassen neus.

Risicomanagement is nog steeds een duwmodel, eigenlijk een ongewenst kindje van de overheid, waarin adviseurs en commerciële partijen natuurlijk voor een frisse wind hebben gezorgd, maar ook waarin zij met bijzondere ideeën, benaderingen en modellen kwamen aanzetten. En vooral de diversiteit aan begripsduiding en -uitleg is enorm. Het lijkt een vervuild begrip geworden, een container. Dit zorgt voor grote verwarring en hap-snap business. Daar wringt hem de schoen met betrekking tot publiek risicomanagement. Het speelveld is verdeeld en er is geen eenduidige taal.

Onze selectie van artikelen is een oproep om de handschoen nu echt eens op te pakken en voorliggende rijkdom aan kennis en ideeën opnieuw te wegen, te benutten en vooral aan de slag te gaan. Bestuur en topmanagement zijn daarbij aan zet. Daarvoor is wel gezag nodig en vooral draagvlak en consistentie vanuit de top van de ministeries.

Na 25 jaar zijn wij nog steeds een beetje waar wij 25 jaar geleden waren: de meeste bestuurders en topmanagers voelen er helemaal niets voor om dit vak professioneel te adopteren. Hun uitleg is dat het negatief is, remmend, niet motiverend, mijdend. Natuurlijk is dit onzin, maar goed de beleving is soms sterker dan de werkelijkheid. De kern van het vak wordt willens en wetens niet begrepen. Er is werk aan de winkel, veel, jawel heel veel. Deze selectie bevat daarvoor de ingrediënten.

Voor u ligt een reis van meer dan 25 jaar, die ook laat zien dat goede ideeën zijn gelanceerd en dat vele pogingen zijn ondernomen om het vak te verbreden en om het volwassen te laten worden. Een deel daarvan is in onze ogen het waard om gedeeld te worden en verdient om op de tekentafel te brengen bij de doorontwikkeling van het vak. Wij wensen u leesplezier én inspiratie.

De gave van Gauguin

Paul Gaugain (1888), La Vision après le sermon. Edinburgh: National Gallery of Scotland.

Wat hebben kunstenaars en bestuurders gemeen? Op het eerste gezicht niet zoveel, althans in de meeste gevallen. Maar bij het lezen van het boek Dat kan mijn kleine zusje ook door Will Gompertz (voormalig directeur Tate Gallery), dat handelt over begrip voor moderne kunst (met als startpunt de impressionisten), blijkt toch een verrassende parallel. Wij citeren (p. 89):

“Wat hij (Paul Gauguin, red.) wél bezat – en wat  alle grote kunstenaars bezitten – was het vermogen om op een unieke manier universele ideeën en gevoelens over te brengen. Om daartoe in staat te zijn moet het talent van het individu meestal de tijd krijgen om een eigen, herkenbare stijl te ontwikkelen. Als dat eenmaal gebeurd is en de schilder zijn of haar eigen stemgeluid gevonden heeft, kan er een gesprek met de toeschouwer plaatsvinden. Er worden dan aannames mogelijk en er kan een relatie ontstaan. Gauguin bereikte dat stijlkenmerk in een opmerkelijk korte tijd, en dat bewijst zijn vakbekwaamheid en intelligentie.”

De snelle oriëntatie, het ontwikkelen van de eigen stijl, het eigen authentieke stemgeluid vormgeven zijn de gaven van Gauguin. Zij komen overeen met wat goede bestuurders in de relatief korte bestuursperioden van vier jaar ook te doen hebben. Net als hebben zij beperkte tijd om te binden met hun omstanders, burgers, bedrijven en instellingen, eigenlijk met de samenleving. Wat Gompertz hier schrijft zou hij ook geschreven kunnen hebben voor bestuurders.

Waar ligt de kern van de gave van Gauguin? Gompertz licht op p.86 een tipje van de sluier op – een deel aan de hand van La Vision après le sermon (1888), te zien op de afbeelding hierboven – wat het volgens Gauguin zelf was:

“Hij (Paul Gauguin, red.) was tot de conclusie gekomen dat het de impressionisten aan intellectueel doorzettingsvermogen ontbrak. Ze konden niet verder kijken dan de werkelijkheid zich voor hun ogen ontrolde. Hun rationalistische kijk op het leven beroofde hun schilderijen van de belangrijkste ingrediënt: verbeeldingskracht.”

Paul Gauguin is naar het oordeel van de Heren van Oranje een verrassende en inspirerende leermeester voor bestuurders en managers: verbeeldingskracht als gave en factor voor het leggen van verbindingen.

* Will Gompertz (2012), Dat kan mijn kleine zusje ook: Waarom moderne kunst kunst is. Meulenhoff, Amsterdam, 464 pp.

De Stoep

Dit boek* toont de Hollandse stoep in haar verscheidenheid: de drempelzones van Herman Hertzberger en Aldo Van Eyck, de bloemtafels van Sambeek en Van Veen en de klassieke Hollandse stoep.

De stoep is het domein waar een prettige en gezonde stad begint. De stoep is een overgangsgebied tussen huis en straat waar sociale contacten tussen bewoners plaatsvinden en de uitstraling van de straat voor een belangrijk deel wordt bepaald. Een succesvolle stoep ontstaat echter niet zomaar. Vooral niet nu overheden en woningcorporaties zich bezinnen op hun taken en meer en meer wordt gevraagd van andere partijen en van bewoners zelve. Burgerparticipatie of overheidsparticipatie, het is maar net hoe je het bekijkt, begint op de stoep. Het is het domein waar publiek en privé elkaar ontmoeten. Good governance van de stad begint bij kennis van de stoep.

Aan de hand van interviews, casestudies in binnen- en buitenland, essays en een analyse van ruim 6000 Rotterdamse straten beschrijft het boek ‘DE STOEP’ de drijfveren van mensen om van de stoep een eigen plek te maken. Voor elke lokale bestuurder en manager een must read, zo vinden de Heren van Oranje.

* Ulden, Eric van, Daniel Heussen en Sander van der Ham, 2015, ‘De Stoep: Ontmoetingen tussen huis en straat’. Nai010 publishers, Rotterdam, 240 pp.

Verandering van Tijdperk

Toch weer eens uit de boekenkast gepakt. Het boek van Jan Rotmans. “Nederland zal de komende decennia transformeren naar een nieuwe samenleving waarin de machtsverhoudingen zoals we die nu kennen radicaal zijn omgegooid. Dit is geen idealistisch vergezicht, maar de onontkoombare uitkomst van de kantelperiode waarin Nederland zich nu bevindt.

In ‘Verandering van tijdperk‘, de opvolger van de bestseller ‘In het oog van de orkaan’, beschrijft Jan Rotmans ook de nieuwe sectoren onderwijs en financiën en geeft daarmee een compleet beeld van Nederland in transitie.

Rode draad is dat alle maatschappelijke sectoren hun houdbaarheidsdatum naderen, omdat de mens niet langer centraal staat. Mensen ontwikkelen zelf alternatieven en voeren die uit. Samen vormen zij de beweging van onderop, essentieel voor de transitie naar een beter aangepaste samenleving en economie.

Jan Rotmans geeft in ‘Verandering van tijdperk’ een concreet en soms ontluisterend beeld van de heftige botsing tussen de gevestigde orde en de opkomende nieuwe orde. Dit boek laat zien wat ons te wachten staat en biedt inspiratie omdat in deze kantelperiode ieder individu en elk initiatief telt; eenieder kan juist nu het verschil maken.”

Rotmans, Jan, Linden, M., Toxopeus, H. en Verbruggen, S. (2014) Verandering van tijdperk: Nederland kantelt. ‘s-Hertogenbosch: Aeneas Uitgeverij Voor Vakinformatie.

Steden en klimaatverandering

Met het Parijs klimaatverdrag gisteren ondertekend door 175 landen gisteren is het tijd voor steden om te acteren. Met de ondertekening werd een begin gemaakt met een wereldwijde beweging.

Deze wat oudere publicatie van 2009 door de Wereldbank kan gemeenten helpen. Het is na 10 jaar nog steeds actueel en goed bruikbaar voor begrip van de omvang van het vraagstuk en de wijze waarop besturende processen door bedrijven en met name overheden vormgegeven kunnen worden.

Het is gebaseerd op het 5de stedelijk onderzoekssymposium inzake steden en klimaatverandering en adresseert de urgentie van een stevige agenda. Het werd gehouden in Marseille. Het gaat in op hoe klimaatverandering en verstedelijking geleidelijk bij elkaar komen om één van de grootste uitdagingen van onze tijd te adresseren.

Méér!

Illustratie: Len Munnik

Boek door Marianne Thieme

“In het boek Méér! bundelt Marianne Thieme wetenschappelijke inzichten die de crises van dit moment in kaart brengen en in samenhang helpen oplossen. Ze komen van onafhankelijke wetenschappers die zich zorgen maken over de toekomst van mens, dier, natuur en milieu en vanuit diverse invalshoeken pleiten voor een radicale omslag in beleidskeuzes. Allen kiezen de grenzen van de aarde als uitgangspunt voor ons handelen. Samen schreven ze een leidraad voor andere, duurzame beleidskeuzes, die onontkoombaar geworden zijn door onze groei- en schuldverslaving.

Méér! is het kernthema geworden van onze samenleving: meer van alles en meer dan er is. In de afgelopen decennia van ongekende welvaart heeft het geloof postgevat dat de groei van onze economie niet alleen grenzeloos is, maar ook een voorwaarde is voor geluk en welvaart. Waar economie ooit de wetenschap van het voortbrengen en verdelen van schaarse goederen en middelen was, is er inmiddels vrijwel exclusief aandacht voor geld en monetaire vraagstukken.

De systeemcrisis die zich in 2008 aandiende als een bankencrisis, manifesteert zich nu als monetaire crisis. Én het is duidelijk dat we daarnaast de biodiversiteitcrisis hebben, de klimaatcrisis, de wereldvoedselcrisis en andere schaarsteproblemen die welvaart en welzijn tot in de kern bedreigen.” Lees meer >