Het perspectief van de woestijn

Kruf, J.P. (2003). Het perspectief van de woestijn. Namibië, Sossusvlei.

Door Jack Kruf

Als het spannend wordt, worden de scenarioanalyses opnieuw van stal gehaald. Zij zijn zo oud als de weg naar Rome. De populariteit ervan indiceert dat er iets aan de hand is, dat de bestaande beleidscycli blijkbaar niet meer functioneren. Publieke organisaties en hun koepels, met een select clubje van adviesbureaus slaan thans de trom van dit ‘nieuwe’ denken met bijbehorende modellen, sessies en programma’s. Wij willen en moeten weer over de horizon kunnen heenkijken, verder en als het even kan in back to the future-stijl.

Er zijn twee mogelijkheden, wij gaan het zelf allemaal bedenken – elke gemeente en provincie voor zich -, of wij hanteren interpolaties van bestaande kennis en ervaringen die wereldwijd verzameld zijn. Het eerste is een te lange en daarmee te langzame weg, Er is niet veel tijd. De tweede is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Waar zijn deze exact te vinden? Zijn de data betrouwbaar, van wie zijn zij het eigendom, wat is het verdienmodel?

Is er ergens een kennisbank met hoogwaardige en gecureerde kennis over de staat van mijn stad?

Waar zijn de experts die iets zinnigs kunnen zeggen over wat mogelijke scenario’s kunnen zijn als wij zo doorgaan of ook als wij plotseling ons gedrag veranderen? Meteorologen? Zou kunnen. Controllers, accountants of auditors? Zeker niet, zij kijken met name naar waar wij vandaan komen en weten ook niet waar wij naar toegaan. Burgemeesters, wethouders, gemeentesecretarissen, ministers, gedeputeerden? Allemaal druk, druk, druk met de eigen portefeuille, positie of agenda. Of wetenschappers wellicht? Maar welke dan en welke zeker niet? Strategen en beleidsmakers. Ja, zou kunnen. Maar krijgen zij voldoende ruimte van hun politiek gestuurde of sturende bestuurders?

Dit wordt een zoektocht op zich, naar hoe het werkelijk is in de leefwereld, want kennis hoe het zou kunnen of moeten – vaak ontwikkeld in de systeemwereld – is in de praktijk niet echt bruikbaar. Waar vinden wij de kennis met betrekking tot perspectieven en scenario’s van buiten de kloostermuren, van buiten onze eigen stadswallen? Ik weet er één in elk geval: David Attenborough, die het aandurft om scenario’s te beschrijven.

Ik weet dat de Secretario del Ayuntamiento de València mij 12 jaar vertelde dat de zomers in zijn stad al decennialang warmer en warmer werden (“Muy caliente!”), dat de watervoorraden voor inwoners en bedrijven steeds meer onder druk kwamen, het leven in de stad daarom meer en meer precair aan het worden was, Hij vond, dat significante oprukking van de woestijn toch echt een scenario voor Valencia was, één om terdege rekening mee te houden en om op in te gaan spelen.

Sprekend over resilience van de stad Valencia: “Het is het aan de ingenieurs, sociologen, antropologen en bestuurskundigen om in een onderling hechte samenwerking daadwerkelijk dit scenario te vermijden”, zo was zijn betoog en hij vervolgde “alleen een integrale benadering zal succesvol kunnen zijn.” Ik denk wijze woorden, omdat regeren immers vooruitzien is. De woestijn is mooi, maar niet een gewild perspectief voor een prachtige stad als Valencia.

De kunst van samenwerken

Door Jack Kruf*

“Samenwerken was al de sleutel tot succes, maar met de huidige grote maatschappelijke veranderingen wordt het een strategische noodzaak, omdat ook het systeem van besturing zelf aan het veranderen is.”

De afgelopen jaren is onder mijn leiding door PRIMO Europe nauwgezet geïnvesteerd in dialoog, diagnose en didactiek om het kennisgoed op het gebied van samenwerken te beoefenen en te bevorderen. Het heeft geleid tot de ontwikkeling van een educatieprogramma voor de top van lokale en regionale publieke organisaties. Een programma waar inhoudelijke expertise, besturingskracht en organisatievermogen elkaar kunnen ontmoeten. Daarmee migreerde de vereniging van haar focus op risicomanagement naar dat van scenario-denken, co-creatie, design-denken en de architectuur van bestuur en navigatie met betrekking tot publieke waarden. Lees meer

*Een bijdrage in VIEWZ met als ondertitel: een strategische noodzaak in tijden van systeemverandering.

Vier stappen voor verbetering publieke organisaties

Bouko de Groot | Financieel Management

“Nieuwe vormen van financial engineering zijn harde noodzaak,” Jack Kruf, PRIMO, over strategie en aanpak van vraagstukken voor openbaar bestuur.

De grote transities die momenteel tegelijkertijd plaatsvinden vormen de grootste uitdaging voor CEO’s en CFO’s, zo bleek uit een recent onderzoek onder leden van PRIMO, de internationale Public Risk Management Organisation. Drie van die transities zijn digitale transformatie, klimaatverandering en circulaire economie. “Bij PRIMO richten we ons op publieke risico’s, dat zijn risico’s voor en in de samenleving. Daarom hebben wij een goed beeld hiervan, omdat wij intensief samenwerken met topmanagers vanuit de praktijk. Wij weten wat gemeenten bezighoudt en wat er speelt in de samenleving,” zegt Jack Kruf, directeur President PRIMO Europe.

Hij constateert dat de publieke risico’s van die grote transities aanzienlijk zijn. Om die te managen is geld nodig. Geld dat er niet is. Althans bij de overheid minder, omdat schulden toenemen, reserves niet of nauwelijks meer groeien, innovatie tot stilstand komt en steeds meer geld naar ‘gaten dichtlopen’ gaat. Nederlandse gemeenten moeten een ratio van weerstandsvermogen hebben van 1, maar landelijk bekeken en afgezet tegen wat nodig lijkt 0.25 , zo blijkt uit de discussie binnen de Denktank PRIMO/BNG Bank, waarbij de landelijk ingeschatte risico’s ten gevolge van komende transities zijn afgezet tegenover de beschikbare reserves en vermogens.

Financieel gaat het niet goed. “Het probleem is dat transities lange lijnen van 15 tot 30 jaar nodig hebben, terwijl politici komen en gaan in perioden van 4 jaar. Zij kijken vooral naar de korte termijn, bovendien verschuiven de bestuurlijke doelen steeds. Bedenk daarbij dat een gemeente eigenlijk meer dan 300 ‘producten’ heeft, dan snap je hoe groot de uitdaging is in het managen van publieke risico’s.” Te groot voor veel, want de solvabiliteit van een boel gemeenten is zo laag, dat zij niet meer kunnen investeren in de grote, noodzakelijke veranderingen, zoals de circulaire economie, de waterhuishouding of de stikstofcrisis.

“Groningen bijvoorbeeld zit maar rond de 10 procent, die staan financieel met de rug tegen de muur. Dat is eigenlijk onacceptabel bezien vanuit de opgaven die voor ons liggen. Als het een bedrijf zou zijn, zou het zo failliet zijn. Dat geldt voor veel gemeenten, die krapte.” De gemeenten zijn min of meer zelf mede-schuldig aan het veroorzaken van dit probleem. “Het rijk wilde bezuinigen en bracht tegelijkertijd het sociale domein naar de gemeenten. Dat hadden ze nooit moeten accepteren. De Rekenkamer gaf in 2014 nog aan dat de gemeenten er niet klaar voor waren. Toch gingen zij akkoord. Nu zitten velen met serieuze begrotingstekorten. En dan is er gewoon geen geld meer voor andere beleidsterreinen. “

Nieuwe aanpak voor gemeenten
Kruf roept daarom gemeenten op tot een nieuwe financiële investeringsaanpak. “We moeten de financiële strategie opnieuw uitlijnen en wel op basis van het eerlijke gesprek. Wat zijn de opgaven en wat de belangrijkste risico’s? En vooral, hoe gaan we die financieel aanpakken? Hun financieel management moet gemoderniseerd worden, nieuwe financieringscontstructen liggen voor de hand met vormen van co-creatie en co-engineering. Dat is de opgave voor de komende 10, 15 jaar. Financiering die nieuwe publieke waarde kan creëren en de sustainable goals kan borgen.

We moeten daarbij nieuwe elementen gaan toevoegen, en het vak financial engineering verbinden met de boeg van het schip. Werken van de machinekamer volstaat niet meer. Innovaties vragen om nieuwe allianties in financieel management. Het zal een omwenteling vragen in denken en handelen. Van rechtmatigheid en doelmatigheid als eerste zorg, naar doelgerichtheid en effectiviteit met ondernemerschap, goede contracten en vooral moderne vormen van financiering. Tijd voor vernieuwing.”

Kruf heeft vier hoofdpunten voor een verbeterde aanpak bij openbare organisaties:

  • De financieel verantwoordelijke wethouder is aan zet om de feiten op tafel te brengen. Met CEO, CFO en concerncontroller is hij of zij aan zet om een haalbare en implementeerbare strategie te ontwikkelen.
  • Daarbij moet open en transparant duidelijk gemaakt worden wat er echt nodig is voor de komende 10-15 jaar.
  • Vervolgens moet duidelijk worden met welke langlopende contracten, investeringen en partijen in de markt dat gerealiseerd kan worden.
  • En er moet inzicht komen welke partijen nodig zijn om dat te bereiken.

PRIMO definieert risico als de potentiële schade aan iets waar wij waarde aan hechten. Niet handelen leidt tot aantasting van publieke waarden zoals veiligheid en leefbaarheid. Het nieuws toont ons dat de publieke risico’s fors toenemen en gemeenten aan zet zijn zich financieel te herpakken.

Le Sacre du Printemps

Het Nationaal Ballet voerde 100 jaar na de première de Ouverture uit onder choregrafie van Shen Wei en David Dawson.

Door Jack Kruf

Het is lente. Hoewel, het sneeuwt al twee dagen. Het is vandaag 50 jaar geleden dat Igor Stravinsky is overleden. Ik luister deze altijd naar Le Sacre du Printemps (De Lentewijding, 1913). Het geldt als één van de meest revolutionaire werken van de 20e eeuw. De kracht van de ontwaking van de natuur kan niet beter worden uitgedrukt, zeker op 3′ 34″. De première vond plaats op 29 mei 1913 in het Théâtre des Champs-Élysées te Parijs. De zaal dacht: “Wat is dit?”.

Het muziekstuk is, in tegenstelling tot de westerse traditie tot dan toe, gebaseerd op een strakke en dominante ritmische complexiteit. Tot deze avond diende het ritme om de muziek meer vorm en body te geven en niet andersom.

Op deze dag introduceerde Igor Stravinsky nieuwe concepten en sloeg in harmonisch opzicht nieuwe wegen in. Zowel de dansers van het ballet als de orkestleden hadden moeite met de ongewone ritmische accenten en de vele maatwisselingen. Voor sommige instrumenten had Stravinsky de partituur in een ongebruikelijk register geschreven, waardoor sommige zelfs praktisch onherkenbaar waren. Het duidelijkst is dat bij de fagotsolo waar het stuk mee opent. Zelfs kenners van de fagot dachten dat het een klarinet was. Muzikaal dus vernieuwend in velerlei opzicht. Dat gold zeker ook voor het door de legendarische Russische balletdanser Vaslav Nijinsky gechoreografeerde ballet.

De première veroorzaakte in 1913 een enorme rel. De toeschouwers overstemden de atonale, dissonante en ongebruikelijk ritmische compositie die Stravinsky voor de choreografie maakte. Het orkest kon niet verder spelen en de voorstelling moest worden onderbroken.

Wat is het Le Sacre du Printemps van 2019? Wat is nu het monument dat we nog niet zien. Welke vernieuwing van nu wordt verworpen als extreem, vreemd of niet passend? En zal blijken over 100 jaar een innovatie van de eerste orde te zijn geweest. Het is altijd spannend dit onszelf af te vragen en het heden door de bril van straks te beschouwen. De tijdmachine van Professor Barabas is nog niet zó doorontwikkeld dat we vooruit in de tijd kunnen reizen om het beeld van nu te ontdekken.

De Oriënt Express

Orient Express

Poster van de Oriënt-Express 1888.

Door Jack Kruf

Het verhaal van de Oriënt Express*. Zij kan dienen als een krachtige beeldspraak voor de nieuwe architectuur van publiek risicomanagement, zeker als het gaat om het ontwerp, de inrichting en het management van majeure vraagstukken.

Het concept blinkt uit in eenvoud en verbinding. Het is een all-in one: trein, reis, prijs én tracé. Bovendien met unique selling points: “Service Rapide,  Sans Changement de Voitures et Sans Passeport entre…”

Het is mijn gedachte: elk van de grote opgaven die begin 2021 voor ons liggen te gaan beschouwen als een Oriënt Express is de idee. De eerste trein reed in 1883 tussen London en Istanboel en was het initiatief van een ingenieur George Nagelmackers. Een baanbrekend concept, dat nu ook van toepassing kan zijn voor de lange reizen.

Hij had er de Nobelprijs voor Governance voor kunnen krijgen, maar die bestond toen nog niet. In het versnipperd Europa met staatjes en koninkrijken was elke kilometer van dat traject uit-onderhandeld met overheden, grondeigenaren, treinmaatschappijen, banken, beleggers en particuliere bedrijven.

Dat éne treinkaartje was administratief opgeknipt met toeslagen, verrekeningen en verdienmodellen voor elke kilometer. Een halve kapel vol met contracten, financieringsconstructen en overeenkomsten was nodig om deze reis mogelijk te maken.  Ook de locomotieven, de stations die aangedaan moesten worden, de diversiteit aan spoorbreedtes, landschappen, bergen, rivieren en dalen en de te verwachten weersomstandigheden.

Welnu in 2021 stappen wij opnieuw op. Een reis tussen nu (fossiele energie) naar 2050 (duurzame energie). Een reis van een generatie. Op weg naar een leefbare wereld voor mijn kleinkinderen Sam, Sebas en Equoia. Zo concreet en simpel is het. Ik heb mijn eerste Legotrein al gekocht, om te oefenen… met hen natuurlijk…

Wie wordt de nieuwe George Nagelmackers van de Energietransitie of van de Circulaire Economie? Allemaal en tegelijkertijd verkennen, sleuren, sleutelen, bouwen en onderhandelen kan niet. Coördinatie is nodig. 

In het concept van de Oriënt Express liggen de verbindingen naar de nieuwe zo gewenste systeemsturing besloten. Het herbergt de contouren van een nieuwe aanpak.

*Deel afscheidslezing te Breda op 19 maart 2021 door Jack Kruf.

25 jaar Risicomanagement

“Medio augustus publiceerden Eric Frank en Jack Kruf het e-book ‘Publiek Risico: Essays’, over de ontwikkeling van publiek risicomanagement in de afgelopen 25 jaar. Deze bloemlezing representeert de zoektocht naar meer kwaliteit van bestuur en management in ruim twee decennia, vanuit het perspectief van de samenstellers. 

De bundeling van 75 essays is geschreven door een keur aan auteurs; de twee curatoren zijn aanvullend in kennis en ervaring. In dit interview met Eric Frank en Jack Kruf gaan zij in op de achtergronden van het boek. Beiden benadrukken dat de auteurs van de essays het eigenlijke werk hebben gedaan.

Eric Frank heeft zijn basis liggen in het bankwezen, terwijl Jack Kruf is opgegroeid in het domein van gemeenten en provincies. Complementaire achtergronden dus. Zij beschikken over een aanvullend palet van kennis en ervaring. Frank heeft in het kader van public affairs in en rondom het bankwezen in de publieke sector en bij BNG Bank in het bijzonder veel van doen gehad met besturingsvraagstukken in het algemeen en risicomanagement in het bijzonder.

Hij constateerde dat risicomanagement verre van goed is georganiseerd. Kruf heeft als gemeentesecretaris en interimmanager bij gemeenten en provincies gemerkt dat het landschap van raamwerken, methoden en technieken die het bestuur en management kunnen helpen bij het scherp aan de wind zeilen, zeer versnipperd was en eigenlijk nog steeds is. De ervaringen en inzichten vormden in de vorm van het publieke domein, het management van de stad, een soort gemeenschappelijke deler. Waar zit die overlap precies? En wat drijft jullie beiden?

De gemeenschappelijke deler ligt in hun buitengewone interesse voor: goed bestuur, verantwoordelijkheid dragende bestuurders, beslissers en managers; met plannen die bijdragen aan goede uitvoering van publieke taken; en in gedegen verantwoording van bestuur aan de burger/belastingbetaler/kiezer.

Eric Frank: ‘De omgang, integriteit, visie, duurzaamheid en betrokkenheid inzake het publieke domein vind ik een zaak van het grootste belang.’ Jack Kruf: ‘Mijn drijfveer is bij te dragen aan het als van zelfsprekend besturen en managen – vanuit het perspectief van rentmeesterschap – van het maatschappelijk, sociaal en natuurlijk erfgoed.'” Lees meer

De Dag van de Stad

Machu

Kruf, J.P. (2006). Smart City, Peru, Machu Picchu.

Volgende week maandag is De Dag van de Stad. Lijnen worden samengebracht, publieke waarden en uitdagingen belicht vanuit diverse functies, perspectieven en lagen van de stad. De dag gaat in mijn ogen over de behoefte aan en de zoektocht naar een meer Integrale en holistische benadering van stedelijke sturing. Ik noem die voor het gemak New City Governance. Een mooie dag in het vooruitzicht.

De New City Governance, so to speak, ligt eigenlijk al jaren voor als thema. Als gemeentesecretaris was er permanent de insteek om belangen van de stad zelve, haar burgers, doelgroepen, maatschappelijke organisaties, politieke partijen en ministeries (bolwerken van segmentatie) af te stemmen en te koppelen.

De benadering vanuit de concepten zoals smart city en city resilience in de afgelopen decennia zijn voorlopers, maar missen de harde componenten van governance, sturing en navigatie. Het is veel inhoud dat voorbij komt. De kern van de overall sturing wordt niet of nauwelijks aangeraakt. De huidige segmentatie en fragmentatie van die sturing vraagt om nieuwe wegen, willen wij verder komen. Er is een doorbraak in het denken nodig.

Deze nieuwe benadering is er dus nog niet, zeker politiek niet, omdat vanuit het perspectief van macht en invloed (cfr. Machiavelli) de feiten inzake kwaliteit en focus van het openbaar bestuur zich anders dan integraal tonen in mijn ogen. Ook wetenschappelijk zijn wij nog niet zover. Het landschap hier is ernstig versnipperd. Er is geen wetenschap die luistert naar de naam civitologie (mijn gedachte, ben ik nu een bedenker?).

De New City Governance van het ecosysteem stad – Ecosystem City® en Civitas Naturalis – staat in de kinderschoenen en is in mijn ogen de grootste uitdaging voor de komend decennia. De toegepaste wetenschap en gedachtenontwikkelingen met betrekking tot de Sustainable Development Goals – met name noem ik SDG 11 (Sustainable Cities and Communities), SDG 16 (Peace, Justice and Strong Institutions) en SDG 17 (Partnerships for the Goals) -bieden uitgangspunten, drivers en handvatten. Het is een proces in ontwikkeling. Het wordt een boeiende ontdekkingstocht.

De implementatie van New City Governance vraagt om de keuze om niet het systeem centraal te stellen, maar de doelgroep, de  kwestie  c.q. het voorliggend vraagstuk. En dat is een spannende. Het vraagt om een paradigma-shift in governance, om een systeemsprong.

Ik moest denken aan de blootgelegde lessen van Machu Picchu, waar dit alles al aanwezig was, maar door de tijd in vergetelheid is geraakt. Ons bezoek in 2006 was werkelijk overweldigend. Als gemeentesecretaris Roosendaal en voormalig directeur Stedelijke Buitenruimte Breda was dit smullen. Ik was er niet meer weg te slaan, om het maar simpel te zeggen. Heb menig boek erover verslonden. Vooral de Lost City of the Incas. The Story of Machu Picchu and its Builders ging er in als koek. Deze stad kende integrale sturing. Machu Picchu, een voorbeeld, een rolmodel.

Oriëntatie

Kruf, J.P. (2019). Oriëntatie.

Het moet gezegd. De stroom aan berichten, artikelen en boeken over ‘de toestand in de wereld’ is immens. Een brandkraan die wagenwijd openstaat, 24/7. Oriëntatie lijkt een kunst op zich te worden. Waar staan wij? Waar sta ik? Wat is er gaande? Wat is waardevol? Wat niet? Hoe bepaal ik mijn positie? Hoe kan ik groeien, overleven, liefhebben?

Het voelde, rondlopend in deze immense wereldbibliotheek, even alsof ik was losgelaten in het gebouw op bovenstaande foto. Een gebouw waar ik geblinddoekt was heen gevoerd, blinddoek af en de oriëntatie-vraag kreeg voorgelegd. Tja… een gebouw, waar hard wordt gewerkt, zo lijkt het, de metalen klanken in de verte klinken, vreemd en onbestemd. Hier wordt iets bijzonders geproduceerd, dacht ik, maar wat? Geen geuren die helpen. Met een dergelijk fantastisch construct moet het wel over kwaliteit gaan, maar welke en waarvan?` Waarvoor en met welk doel zijn deze ruimten ontworpen? Ik weet niet waar ik ben, elke oriëntatie op plaats en tijd is weg. Het licht kan helpen, dacht ik, maar het is praktisch ontdaan van elke kleur.

Het was even of Franz Kafka naast mij stond of dat ik op reis was met Isaac Asimov op één van zijn avonturen. Het was alsof ik in een kelder van een gebouw was beland, waarvan ik de functie niet weet, alsof ik mij ergens in een grote draaiende motor van een auto bevond, waarvan ik niet weet welke richting de bestuurder in gedachten heeft, wie de bestuurder is, waar de reis heengaat en wie er in de auto zitten.

Dat was ook het gevoel vannacht én vanmiddag. De behoefte aan oriëntatie. Enerzijds het debat tussen twee presidentskandidaten. Het toonde twee totaal verschillende wereldopvattingen, met geheel andere netwerken van mensen, belangen, principes, verdienmodellen en organisaties erachter en eronder. Het duel op leven en dood tussen twee volksstammen. Anderzijds het gevoel van het EU-besluit vandaag vóór het nieuwe landbouwbeleid met veel van de commerciële waarden van de oude economie in tact, waarbij natuurontwrichting niet wordt ontzien of is gezekerd, waarbij innovatie zo zacht is als boter. Er waren toch de nobele en strakke gedachten van de Green Deal! Of was er toch geen deal? Of niet? Kraakt de democratie – gebaseerd op individuele belangen, voorkeuren en keuzes van burgers – nu in haar voegen als het mogelijk is en relatief eenvoudig om grondwaarden en grondrechten – in constitutionele  zin – te schenden? Of is dit het? Oriëntatie is het woord.

Ik laat mijn intuïtie, mijn binnenste ik spreken bij de oriëntatie op de voorliggende standpunten en gemaakte keuzes. De aarde is toch echt de enige weg. Piketpaal. Publiek is als het erop aankomt beter dan privaat. Of beter: publiek-inclusief privaat, publiek als kader voor privaat. De ziel is de basis voor oriëntatie.

Beauty Power Mystery

Kruf, J.P. (2018). Beauty Power Mystery.

Deze driehoek draag ik altijd op zak. Ik heb een oudere wetenschappelijke publicatie wat afgestoft. Ik kwam het tegen met het ordenen van mijn archief. Wouter van Sambeek en ik (Kruf et al. 1982) deden uitgebreid onderzoek naar de beleving en waardering van bossen. Het door ons uitgevoerde sociaal-psychologisch onderzoek met behulp van onder meer factoranalyse van diepte-interviews en belevingsscores leverde kort gezegd het beeld op dat er drie factoren bepalend zijn voor de mate van aantrekkelijkheid van een bos. Dat zijn: beauty (mooiheid, schoonheid), power (mate van kracht) en mystery (het onontdekte stimuleert en verhoogt betrokkenheid).

Nader literatuuronderzoek leerde, dat deze factoren ook terugkomen in onze beoordeling van mensen, van gebruiksvoorwerpen, van auto’s, van interieurs en van landschappen. Het is iets universeels. Het is een bekende driehoek in de wereld van design. Ik heb deze les, deze bevinding, wijsheid ook, altijd bij mij gedragen in het eigen doen en laten, in het uitvoeren van projecten, maken en presenteren van plannen, in het leiden van organisaties.

Deze driehoek is als het ware een geodriehoek: iets moet er goed uitzien (mooi vormgegeven in kleur, materiaal of styling) én moet intrinsieke kracht bezitten en uitstralen (authentiek zijn, staan als een huis) én het moet aanzetten om het onbekende verder te willen onderzoeken (niet voorspelbaar en saai zijn, maar aanzetten om meer te willen weten). Het laatst licht ik toe met een citaat uit Szolosi et al. (2014), omdat het zo helder is geformuleerd:

Mystery refers to those settings where a portion of the visual landscape is obstructed, enticing a person to go further (Hammitt, 1980; Kaplan and Kaplan, 1982). A bend in the trail, a view partially concealed by foliage, or a stream that meanders out of sight all possess attributes related to mystery (Gimblett et al., 1985). Scenes of this type often provide the prospect to acquire additional information. This in turn can engage a person’s interest and enhance one’s sense of involvement. – Szolosi et al. (2014)

Het is de match van de drie factoren beauty, power en mystery, die – mits tegelijkertijd en in voldoende mate aanwezig – de aantrekkelijkheid van iets of iemand bepalen. Het scherpt mij bij analyseren en inschatten der dingen om mij heen en helpt zeker om kritisch te zijn op de eigen stijl en performance en om direct in de spiegel te kijken. Waar een geodriehoek al niet goed voor is. Een driehoek die helpt bij het leren en verbeteren dus. De match is cruciaal.

Bibliografie
Gimblett, H. R., Itami, R. M., and Fitzgibbon, J. E. (1985). Mystery in an information processing model of landscape preference. Landscape Journal. 4, 87–95.

Hammitt, W. E. (1980). Designing mystery into trail-landscape experiences. J. Interpretation 5, 16–19.

Kaplan, S., and Kaplan, R. (1982). Cognition and Environment: Functioning in an Uncertain World. New York: Praeger.

Kruf, J.P., Sambeek, van W.F.A.M. (1982). Boswaardering en bosbeheer. Wageningen: Wageningen University Library.

Szolosi A.M, Watson J.M and Ruddell E.J. (2014). The benefits of mystery in nature on attention: assessing the impacts of presentation duration. Frontiers in Psychology. 5:1360. doi: 10.3389/fpsyg.2014.01360

Over de zeespiegelstijging

Kruf, J.P. (2013). Dijkpaal 992. Sint-Maartensdijk, Tholen.

Enige tijd geleden was ik op bezoek bij een directeur van een waterschap. Ik vroeg hem wat zijn grootste uitdaging was. “Draagvlak verkrijgen bij de bevolking voor dijkverzwaringen”, zei hij. Ik vroeg hem in hoeverre de feitelijke achterliggende reden om onze dijken te verzwaren, hierbij een rol speelden. Hij antwoordde: “Voor de direct aanwonenden is zo’n project natuurlijk zeer ingrijpend. Bij hen stuit het vaak op tal van bezwaren, begrijpelijk ook. Voor het geheel van bevolking achter de dijk betekent het echter bovenal meer veiligheid. Wat opvalt is dat de zeespiegelstijging als fenomeen niet echt aanwezig is in het debat. Het is toch abstract, weinig tastbaar, vooral niet zichtbaar en gevoelsmatig ver weg.”

Vanuit de eigen ervaring – als gemeentesecretaris, directeur stadsbeheer, interim-manager en strategisch adviseur – constateer ik, dat er diverse onderzoeken, rapporten, getallen en interpretaties rondzweven tussen wetenschappers, politici, bedrijven, burgers, non-profit-organisaties, gemeenten, provincies, ministeries, waterschappen en hun koepelorganisaties. Er is op dit punt echt sprake van verdeeldheid, segmentatie en fragmentatie.

Aan dit gesprek moest ik terugdenken, toen ik gisteren in de editie van 25 september 2020 van Nature de resultaten las van dit gezaghebbend onderzoek – over de gevolgen van de opwarming van de aarde voor de ijsmassa van Antarctica – door Garbe et al. (2020). Deze objectieve en feitelijke kennis zou voortaan een bijdrage kunnen en moeten spelen in de communicatie rondom dijkverzwaringsprojecten en in bredere zin bij de aanpak van watermanagement. Lijkt mij althans. Zonder paniek te zaaien, uiteraard. Duidelijkheid en vooral eerlijkheid duurt het langst.

Ik zeg het in mijn eigen woorden: de eerste 2 graden opwarming van de aarde (ten opzichte van het pre-industrieel tijdperk), leidt tot 1.3 meter/graad zeespiegelstijging. Vanaf 2 tot 6 graden opwarming is de stijging 2.4 meter/graad en daarboven 10 meter/graad. Tot dat alles gesmolten is uiteraard. Antarctica heeft equivalent aan ijsmassa dat overeenkomt met 58 meter zeespiegelstijging. Als dit zo is dan is Groenland al lang gesmolten. Ik meen dat de equivalent van de ijsmassa van Groenland 17 meter is. Dus samen 75 meter. Goed om te weten wat wij moeten conserveren en herstellen.

We staan nu op 1.1 graad opwarming, overeenkomend met circa 1.5 meter zeespiegelstijging. Ook 1.5 meter, net als bij Covid-19. Maar zal toeval zijn. Wat bijzonder is dat de onderzoekers stellen dat het opnieuw aangroeien van het ijs vraagt om een temperatuur van de aarde, die tenminste 1 graad lager ligt dan vóór het pre-industriële tijdperk. En dat lijkt buiten het bereik van de mens te liggen. Alleen de zon kan ons helpen door minder te stralen, liefs tijdelijk. Of wij maken machines die dit kunnen.

Het is goed om te weten wat komen gaat, zeker voor mijn kleinkinderen en hun kleinkinderen. Immers “regeren is vooruitzien”. Niet alleen de reductie van CO2 door een succesvolle energietransitie is wat voorligt als opgave, maar bij de veel besproken en waarschijnlijke scenario’s van 3 à 4 graden opwarming is een zeespiegel die de komende generaties zo’n 8 meter hoger ligt een uitdaging voor onze steden, badplaatsen en havens. Niet alleen bescherming door, maar ook innovatie in ruimtelijke planning en infrastructuur zijn de grote uitdagingen die voorliggen. Bij dijkpaal 992 houd ik voorlopig de wacht.

Bibliografie

Garbe, J., Albrecht, T., Levermann, A. et al. (2020) The hysteresis of the Antarctic Ice Sheet. Nature 585, 538–544. https://doi.org/10.1038/s41586-020-2727-5